Wie betaalt ons landschap?
In november 2008 bracht de “Taskforce Financiering Landschap Nederland” onder leiding van Rinnooy Kan een advies uit aan de Minister van Landbouw inzake de financiering van het beheer van het landschap. Het gaat nl. niet goed met ons landschap. Het is vaak niet mooi meer. Te grootschalig, te strak.
Oude natuurlijke landschapelementen zijn verdwenen in de schaalvergroting die er plaatsvond. In de 20e eeuw verdwenen bijvoorbeeld 200.000 kilometer aan heggen, wallen en akkerranden. Veel kerkepaden en andere wandelpaden zijn verdwenen. Het landschap is zo steeds minder toegankelijk geworden voor de burger op zoek naar ruimte, rust en visuele oogstrelingen.
Kenmerkend aan de voorstellen van Rinnooy Kan met betrekking tot de financiering van ons landschap is dat ze alle exogeen zijn: de betaling van een duurzaam mooi landschap komt van buiten. De overheid betaalt, burgers betalen, boeren voeren uit en krijgen daarvoor betaald. Wat als we het nu eens omdraaien, en het landschap, als vanouds, zichzelf bedruipt?
Schaalvergroting als oorzaak
Voorwaarde voor een zichzelf bedruipend landschap is dat het landschap wordt gedragen door een endogene economische drager. Dat is nu ook wel zo, maar het product ervan vinden we niet meer mooi. Als je bulk voor de wereldmarkt produceert, wat voor het overgrote deel van de Nederlandse landbouw nog het geval is, is schaalvergroting onvermijdelijk.
En het is die schaalvergroting die tot verschraling van het landschap leidt. Om de effecten van die schaalvergroting te compenseren moeten er dus knusse landschapselementen worden ingebouwd en omdat die in zich geen waarde produceren moet daar extra voor betaald worden. Luxe financiering, op en top. Gebaseerd op het idee dat ‘de burger’ dat er uiteindelijk wel voor over heeft: mooi uitzicht, visuele oogstrelingen, rust. Allemaal te koop voor wie het betalen kan en in die zin nog elitair en ondemocratisch ook.
Lokale markt als oplossing
Het zoeken is naar een landschap dat die kenmerken als vanouds spontaan voortbrengt. Door de productiewijze waarvoor door de boeren die er leven en werken is gekozen. Hier en daar in Nederland zie je dat al gebeuren, namelijk daar waar boeren weer voor de lokale markt gingen produceren. Lokaal gerichte productie, d.w.z. productie bedoeld voor verkoop én consumptie in de eigen streek, leidt automatisch tot kleinschalige productie. Leidt automatisch ook tot een (bio)diversiteit in productie zodra het contact met de lokale markt is hersteld. Een contact dat zich bovendien kan vertalen in tal van nieuwe sociale verbanden, tot het herstel van oude Meentes en andere burger-boer, stad-platteland samenwerkingsverbanden toe.
In die lokaal georiënteerde productie, verhandeling én consumptie is het landschap als vanouds verbrokkeld en dus aantrekkelijk. Is dit nostalgie? Romantiek? Lokaal gerichte productie zou wel eens noodzakelijk kunnen worden gezien vanuit het gezichtspunt van uitputtende olievoorraden (transport!) en toenemende onrust in de wereld. We moeten ons zelf weer leren voeden met betaalbare en gezonde producten uit een renderend landschap. Samen. Steek dáár je geld in overheid, buffer ons voor de toekomst met lokaal georganiseerde voedselzekerheid. En het fraaie landschap krijg je er gratis bij.
Lokale productie te duur?
Vaak krijg ik als antwoord op mijn visie dat ze niet realistisch is omdat lokale productie te duur is en daardoor nooit tot massaconsumptie kan leiden. De burger zal toch naar de supermarkt blijven lopen voor zijn goedkope voedselpakket. Is dat zo? Als we eenzijdig inzetten op biologische voeding dan lijkt de stelling waar te zijn. Ondanks miljoenen overheidssteun in het marketingdeel van de biologische keten (historisch uniek voor Nederlandse overheidssteun anyway!) komt het aandeel bio al jaren niet boven de 2%. Ideologie verkoopt niet. Zoveel is duidelijk.
Waarom dan niet een stapje teruggezet? 85% van de boerderijwinkels is niet-biologisch, ondanks een totaal andere beeldvorming in de media. Van oudsher zijn met name verse producten zoals aardappels, uien, fruit, melk, eieren en sommige groenten via deze boerderijwinkels goedkoper dan in de supermarkt (en desondanks levert het voor de boer meer op dan via de bulk afzet).

Eerlijke, lokaal geproduceerde producten waar niets mis mee is. De boer kijkt wel uit! Waar je rechtstreeks aan de consument verkoopt wacht je er wel voor om troep te maken. Het streven moet er op gericht zijn méér van die producten te ontwikkelen. Bovendien zal proefondervindelijk onderzocht moeten worden of bijvoorbeeld 60% van de consumenten bereid is méér te betalen voor lokaal geproduceerd voedsel. Duidelijk is dat het biologische prijsniveau veel te hoog ligt. Maar waar ligt de grens dan wél? Bij 10%, bij 20%?
Hoe lullig ook, de Unilevers kunnen door de grote schaal waarop ze produceren veel goedkoper verwerken dan de kleinschalige lokale verwerkingsbedrijven. Dat zou wel eens kunnen gaan veranderen als de olie nóg duurder wordt en de transportkosten een nóg groter deel van de prijs van het product gaan uitmaken. Maar zo ver is het nog niet en dus zal met name het lokaal verwerkte product dus duurder zijn dan in de supermarkt.
Bijna volledig lokaal voedselpakket
De laatste jaren zijn we er in geslaagd steeds meer producten weer lokaal te produceren: Zo hebben we rondom Twello weer eigen tarwe als basis voor brood, pannenkoeken en koekjes. We persen weer onze eigen fruitsappen en er komt steeds meer lokaal vlees beschikbaar. Aan spijsolies wordt gewerkt, evenals aan betaalbaar bier e.d. Een uitgebreid assortiment zuivelproducten, jams, mosterds, honing en snoepwaar was er al. Kortom we komen al aardig in de buurt van volledige zelfvoorziening.
Om dat voedselpakket echter betaalbaar te maken is samenwerking nodig. Samenwerking in de keten, samenwerking met collega’s. Gerichte samenwerking om de prijs van de lokale producten betaalbaar te kunnen houden. De overheid zou hierin een sturende hand kunnen hebben door een gericht subsidiebeleid in plaats van weg te dromen op een wolk van volledig biologische aflaat.
Waar is behoefte aan?
Er is (o.a.) behoefte aan lokale vleesverwerkers, groter dan de thuisslager, maar nog wél ambachtelijk. Nu zijn vleesboerderijen veelal aangewezen op slachterijen ver weg wat de kostprijs van het lokale vlees onnodig duur maakt. Er is behoefte aan lokale graandrogerijen en schoningsbedrijven (molenaars zijn er meestal wel) waardoor de prijs van lokaal brood niet wordt opgestuwd door onnodige transportkosten naar bedrijven ver weg.
Er is behoefte aan lokale fruitverwerkende bedrijven en jammakerijen evenals de kleinschalige productie van suikers. Er is behoefte aan lokale spijsolieverwerkende fabriekjes. Er is ook behoefte aan lokale voedseltechnologen! Agrarische Opleidings Centra (AOC’s) zouden hierbij een cruciale rol kunnen vervullen, middels hun docenten maar óók middels allerlei samenwerkingsprojecten waarin leerlingen een rol kunnen spelen.
Al deze nieuwe verwerkende bedrijven hebben als kenmerk hun schaalgrootte die ver onder dat van Unilever, maar boven die van de thuisverwerker ligt. Ze produceren niet voor een anonieme markt maar beperken hun afzet tot een straal van pakweg 30 kilometer. Binnen die straal vindt (re)distributie plaats. Stel dat 60% van de consumenten inderdaad bereid is 15% meer voor de lokale producten te betalen dan is die 15% de marge waaruit de investeringen rendabel moeten worden gemaakt.
Nieuwe vormen van burgerparticipatie
Burgers kan gevraagd worden mee te investeren in de nieuwe lokale industrieën, in ruil voor voedselzekerheid, in ruil voor toegang tot het landschap van de producerende boerenbedrijven, in ruil voor jaarlijkse oogstfeesten, etcetera. Nieuwe vormen kortom van burgerparticipatie waar die 15% prijsverhoging t.o.v. Unilever makkelijk door gecompenseerd wordt.
Als de overheid déze nieuw golf van kleinschalige lokaal georiënteerde coöperatieve samenwerking in aanvang wil steunen dan maakt het initiatief een des te betere kans. Produktiegerichte subsidies dus in plaats van dure “Deltaplannen voor het Landschap”, elitaire landschapsveilingen, landschapsbelastingen of wat er zoal bedacht is de laatste tijd.
Gertjan's Weblog
Ooit en vele jaren lang was de Veluwe vakantiebestemming nummer 1 binnen Nederland. Nu hebben het Noordzeestrand en Drente (?) onze Vale Ouwe van de eerste plaats gestoten. Die andere delen van Nederland hebben kennelijk meer te bieden, de klant liegt niet. We zijn dus ernstig op zoek naar wat de Veluwe bijzonder maakt, wat onze toeristische en wervende identiteit is. Of zou kunnen zijn.. Want die eerste plek willen we terug!
Het is een klassieke opvatting van samenwerken om alles ook fysiek bij elkaar te gooien. Zo ontstonden wereldrijken en megabedrijven, strenge protocollen en handvesten. Modern samenwerken is veel federatiever van aard. Niet voor niets dat overal ‘convenanten’ opduiken, in feite niet meer dan afspraken, codes om met elkaar om te gaan. Een vorm van modern ‘naoberschap’: ieder voor zich, maar als je elkaar nodig hebt dan bén je er voor elkaar. En soms uit je je samen naar buiten toe, als buurtschap of als carnavalsvereniging. Of als actiegroep tegen de zoveelste snelweg door je gebied.
Een labeltje krijg je één keer, als je door de ballotage komt tenminste. Maar het vermarkten van steeds wisselende en zich ontwikkelende activiteiten, belevenissen en arrangementen vraagt veel meer. Dat vraagt een levend en actief contact tussen de gebiedspartijen, producenten en recreatieve ondernemers. Het vraagt dus ook een andere werkwijze van de marketingafdeling en de toeleverende bedrijven en organisaties.
Een van de eerste als zodanig genoemde streekproducten was ‘de Parmaham’: een product uit Noord Italië dat wereldberoemd werd. Wij hebben zo onze Goudse kaas en Opperdoezer ronde aardappels. Lang hebben mensen gezocht naar nieuwe streekproducten met een dergelijke faam want daarmee zou je een streek en veel producenten behoorlijk op kunnen stuwen in de vaart der volkeren. Maar dat viel niet altijd mee. Bedenk maar eens wat!
In de plattelandsontwikkeling, de ‘rural development’, overheerst nu de tweede definitie van ‘streekproduct’ als heel bruikbaar middel om het speciale karakter van een streekproduct aan te duiden, om de locale economie te steunen en het aantal voedselkilometers terug te dringen. En dat lijkt succesvol te zijn: steeds meer streek en boerderijwinkels worden geopend, steeds meer consumenten lijken te worden aangetrokken door het eerlijke en overzichtelijke product dat daar wordt verkocht. En die ontwikkeling is wereldwijd.
Net als eerder het uitgangspunt van het biologische product wordt het streekproduct gekenmerkt door korte lijnen tussen producent en consument: de consument ként in veel gevallen de producent, weet hoe het product gemaakt wordt en kent daardoor de kwaliteiten van het product. Als die kwaliteit echter, zoals in de biologische handel, wordt gereduceerd tot ‘chemievrij’ dan maakt het dus al gauw niet meer uit of het nu uit Kenya, Frankrijk of uit het naburige dorp komt. Als er maar winst op te behalen is met behoud van die ene kwaliteit. Zo werkt nu eenmaal de markt.