Bij het afscheid van Jan Douw van der Ploeg

Jan Douwe van der Ploeg was hoogleraar sociologie in Wageningen. Hij heeft het onderzoek van zijn voorganger, professor Hofstede voortgezet en aangetoond dat ook kleine agrarische bedrijven  zeer wel een toekomst kunnen hebben. Hij wierp daarmee een wetenschappelijke dam op tegen de main stream denkers die alleen in schaalvergroting, doorgaande mechanisatie en uitstoot van arbeid een toekomst voor de landbouw zien. Op 14 april 2017 gaf hij een exit interview in de Volkrant. Onderstaande is een reactie daarop.  

Hulde Jan Douwe, dat je al die jaren tegen de stroom in bent blijven roeien en je geloof in een vitaal platteland hebt behouden . Je had met nog al wat tegengas te maken. Maar wat was het de moeite waard! Er zal veel gevraagd worden van hen die het stokje gaan overnemen. Kleinschaligheid verdedigen als  middel om die vitaliteit van het plateland te bewaren is geen sinecure. Immers, we kunnen niet allemaal zelfkazende boer worden, of zorgboer, of minicampinghouder.  De ‘verbrede’ landbouw heeft haar grenzen die feitelijk toch weer door de ‘mainstream’ economie worden bepaald. Dat is het dilemma.

Wil kleinschaligheid écht en massaler  beklijven dan ontkom je er niet aan de productiefactoren te onderzoeken die zowel voor de grootschalige als de kleinschalige landbouw bepalend zijn: de factoren arbeid, kapitaal en grond. Waar grootschalige landbouw een overmaat aan kapitaal en kaalgeslagen  grond inzet om de factor arbeid zo goedkoop mogelijk te maken of zelfs grotendeels uit te sluiten ligt dat bij de kleinere bedrijven meestal net andersom: meer arbeid, een biodiverser grondgebruik en minder kapitaalinzet.  Dat kleinere bedrijven in de balans van die drie factoren soms toch nog tot winst komen wordt bepaald door hogere prijzen voor hun producten, door lagere arbeidskosten als zorginstelling plus nog eens de verdiensten daarin, inkomen uit grond c.q. natuurbeheer, inkomen uit recreatie en horeca e.d.

Mijn eigen bedrijf is een mooi voorbeeld van het zoeken naar een  nieuwe balans tussen de productiefactoren. De kosten voor de factor arbeid werden bij ons drastisch verminderd door het socialiseren van de productie in een nieuwe meente waarin consumenten zelf deelnemen in de productie en daarmee voor zichzelf en voor de klanten in onze boerderijwinkel een goedkoper gezond voedselpakket realiseerden.  Ook het grond en landschapsonderhoud werd bij ons grotendeels op die leest geschoeid.  De financiering werd eveneens  gesocialiseerd en losgemaakt van de banken: meer dan € 400.000,- werd door onze eigen klanten en geestverwanten in het bedrijf geïnvesteerd.  Wij kozen, op basis van een in eerste instantie theoretische analyse, voor de weg van het socialiseren: het gezamenlijk dragen van een klein bedrijf. Maar zijn er meer wegen denkbaar? Objectiever wellicht. Dat is wat de opvolger van Jan Douwe mag onderzoeken. Niet alleen door waar te nemen wat er hier en daar al gebeurt, maar door  offensief modellen en strategieën  te ontwikkelen waarin die balans tussen arbeid, grond en kapitaal zodanig wordt herschikt dat er ook voor de grote groep van kleine boeren  een redelijke kans van bestaan is.

Ik noem een paar factoren. De sociaaldemocratie maar ook delen van de christendemocratie kennen een lange traditie van het inzetten op nationalisatie van de grond. Die beweging zou een revival mogen ondergaan omdat daarmee de grondhonger van grote bedrijven kan worden gestuit. Een tweede factor: de pachtprijzen zijn voor kleine bedrijven veel te hoog en staan, zeker op dit moment, in geen enkele verhouding tot wat de verpachters nodig hebben om hun bezit te beheren.  Daar waar boeren feitelijk zelf die gepachte grond en gebouwen met eigen middelen onderhouden zou de prijs sowieso veel lager moeten zijn. Meer toezicht daarop is bitter nodig. Wettelijk zou het mogelijk moeten worden dat mensen veel meer in natura mogen verdienen, of het nou is in gezamenlijk een huis bouwen of je eten verbouwen. Het terugdringen van de geldeconomie in ruil voor een groter deel onbelaste en onderling geruilde onbetaalde eigen arbeid en producten is voor veel kleine bedrijven essentieel om te overleven. Nu gebeurt dat veelal  in een grauwe schimmige min of meer gedoogde omgeving met ‘vrijwilligerswerk’, ruilbeurzen, meewerkweekenden, e.d.  Waar grote bedrijven kwetsbaar zijn door de subsidies en de wereldmarkt zijn kleine bedrijven dat door de knellende wet en regelgeving aan de onderkant.  Wetenschappelijk onderzoek zal ongetwijfeld meer variabelen aan het licht brengen. Succes met je onderzoek.  Aktieonderzoek dus, precies wat Jan Douwe ook deed.

Gert Jan Jansen.  

Auteur van ‘Kleinschaligheid als alternatief. Nieuwe Meentes in een nieuwe economie’ Jan van Arkel, 2014. 



Plaats een reactie