Het lege land van Braks en Bleker

Ja, het land ís dood. De bodems zijn dood, de biodiversiteit verpulverd. En dat in nauwelijks 50 jaar. En het land werd kaler en kaler.

Schaalvergroting op schaalvergroting om verarming van de boerenstand te voorkomen. Echter, de helft van de boeren verdween elke 20 jaar. En het land werd kaler.

Het boerenfront , dat zo ferm gevochten had voor haar halve overlevenden kwam elke keer bedrogen uit. En het front werd gebroken. Op het ministerie, in de Kamer. De burger kwam in opstand en vond gehoor bij de politiek. En nu mogen boeren een overleefd landschap in stand houden, met hagen en singels, houtwallen en kromme sloten. En daar krijgen ze geld voor.

Een kleinschalig, verbrokkeld landschap is wat de burger wil. En dus maken we dat. En dat is bovendien goed voor de ecologie en de biodiversiteit. Maar de boer wordt er geen snars wijzer van. Geert de Snoo stelde vast dat alleen landschappen met tussen 5 en 20 % natuurlijke elementen het waard zijn om te versterken middels agrarisch natuurbeheer, zeg: het inbouwen en beheren van meer landschapselementen in het landschap.

Daaronder is het zinloos en daarboven niet nodig, daar gaat het al goed. Alleen, dat segment van het landschap is vrijwel verdwenen. Het is de polder en Noord Groningen of het prachtige verkeuterde Sallandse landschap. De dood of de gladiolen, en niets daartussen.

Spagaat
Wat het natuur- en landschapsbeheer kenmerkt is dat het enerzijds de burger tevreden wil stellen, de ecologie en biodiversiteit wil versterken en anderzijds de grootschalige, aanbods-en exportgerichte landbouw geen geweld aan wil doen. Dat is een even onmogelijke spagaat als het landbouwbeleid vóór de overwinning van het groene front. Toen omdat elke keer toch de helft van de boeren het loodje legde, nu omdat het inflatoir is: je maakt iets wat zelf geen produktiewaarde heeft.

Het is als de productie van tanks en kanonnen, ze dienen nergens toe, alleen maar om uiteindelijk zelf vernietigd te worden. Zo zal het ook gaan met onze visuele orgasmes, zoals ik die nuttleloze landschapselementen wel noem. Als het geld op is, en de hype over, verdwijnen ze even hard als ze er kwamen.

Renderend landschap
Waarom nu geen landschapselementen ontwikkelen die behalve dat visuele en ecologische nut óók een nut hebben voor de boer die ze nu voor een schijntje mag onderhouden? Zoals hagen vroeger nuttig waren, vóór het prikkel- en schrikdraad, en als veekering dienden. En houtwallen voorzagen in brandhout voor de bewoners, en bosschages hout leverden om te bouwen?

Waarom geen landschapselementen ontwikkelen die inspelen op moderne marktontwikkelingen en trends en als zodanig additioneel inkomen op kunnen leveren voor boeren? Zo additioneel zelfs dat ze geen subsidie meer hoeven te hebben maar zelf hun nieuwe renderende landschapselementen gaan aanleggen.

Het klinkt zo logisch. Verse noten en bijzondere bladgewassen, kruiden, theekruiden, eetbare paddenstoelen, remedies en natuurgeneesmiddelen, stuk voor stuk producten die een groeiende markt kennen en geteeld zouden kunnen worden in kleinschalig beheerde landschapselementen. Ik loop al een paar jaar deze logica te verkondigen maar heb het opgegeven te hopen dat een organisatie of overheid geld in mijn visieontwikkeling wil steken. Het sleutelwoord in mijn benadering is namelijk kleinschaligheid en dat is hélemaal fout! Groots en groter is het streven, is de dynamiek van het systeem, óns economisch systeem. Wie zich daar tegen verzet is een outlaw, of liever gezegd, een dromer of, nog dodelijker lief: een idealist.

Gewoon beginnen
Ik heb het opgegeven te hopen dat ‘het systeem’ te veranderen is. Wat koop ik nog voor congressen, symposia, prijsvragen, nóg een netwerk bijeenkomst, recepties en studiereizen. Ik ben maar gewoon begonnen. Op mijn bedrijf, de Hof van Twello, oogsten wij volop brandnetels en rozenbloemen, rozenblaadjes en vlierbessen, teunisbloemen, vogelmuur, hazelnoten, paddenstoelen en kliswortel, hondsdraf en berenklauw.

Wat eerst een kaal weiland was is nu een prachtig kleinschalig (18 ha) landschap geworden, doorsneden met lanen en singels, hagen en bosschages. En in de beste traditie van de moderne verbrede landbouw maken we daar producten mee. Immers, een boer die alleen de grondstoffen mag produceren verliest. Niet voor niets zijn de eerst verguisde kleine boertjes die weer zelf gingen verwerken , nu vaak de lachende derde. Zij maken kaas, of jam, advokaat of wijn en weten hun publiek te bereiken met recreatieve en educatieve activiteiten. Zij blijken crisisbestendig. Grote traditionele boeren en tuinders, de dode boeren van Braks en Bleker, gaan net zo hard ten gronde als de kleine, tenzij ze de weg naar een onderscheidende markt wisten te vinden. En die markt groeit.

Ik ben niet bang dat mijn ideeën grootschalige navolging vinden. Daarvoor wijken ze te veel af van wat nu als standaard wordt gezien. Daarom nodig ik iedere kleine boer of tuinder die wil profiteren van mijn kennis uit zich te melden. Gewoon beginnen. Wat ik lokaal kan, kun jij ook. Er is véél meer mogelijk dan de bestudeerden zeggen. En voor véél meer boeren dan ‘ze’ denken. Zonder subsidie, een goed inkomen en een mooi, renderend landschap, op de koop toe. Kraak de leegte!

Ir. Gert jan Jansen (59) is eigenaar van Hof van Twello, een bedrijf dat zich toelegt op kleinschalige lokale productie van gezonde producten. Op basis van geteelde en verzamelde gewassen. Het bedrijf kent een educatieve en recreatieve poot (Blote Voetenpad) en geeft adviezen in binnen- en buitenland op het gebied van duurzame productie, landschapsontwikkeling en lokale economie.

Dit artikel is in verkorte versie verschenen in Trouw van 28 september 2011.



Reacties op Het lege land van Braks en Bleker

  1. Douwe Beerda schreef:

    Interessant artikel en het doet mij zeer sterk denken aan de principes achter permacultuur. Op http://www.permacultuurnederland.org meer informatie over kleinschalige diverse landbouw die gaat over samenwerken met de natuur. Ook is daar een eetbare planten en paddenstoelen database te vinden met honderden soorten.

Plaats een reactie