Streekproduct dreigt marketingformule te worden

Het ‘streekproduct’ is ‘in’. De media maar ook steeds meer bedrijven storten zich er op. Zij het echter vanuit een heel andere hoek als de streekproducten zich ooit hebben ontwikkeld. Deze gang van zaken is verwarrend.

Het klassieke streekproduct is zeldzaam

Een van de eerste als zodanig genoemde streekproducten was ‘de Parmaham’: een product uit Noord Italië dat wereldberoemd werd. Wij hebben zo onze Goudse kaas en Opperdoezer ronde aardappels. Lang hebben mensen gezocht naar nieuwe streekproducten met een dergelijke faam want daarmee zou je een streek en veel producenten behoorlijk op kunnen stuwen in de vaart der volkeren. Maar dat viel niet altijd mee. Bedenk maar eens wat!

In Zeeland werd zo de Zeeuwse vlegel ontwikkeld: brood van in Zeeland geteelde tarwe. Een behoorlijk succes en veel nationale aandacht. Echter, het lukte niet om de Zeeuwse vlegel te ‘exporteren’ naar andere delen van Nederland: de vraag daar bleef achter en de logistieke problemen werden daarmee te groot. Kennelijk was dit brood niet onderscheidend genoeg om de rest van Nederland wat meer te laten betalen voor brood van eigen bodem. Bijna alle brood dat wij eten wordt gemaakt van import (Frans) graan dat van nature een betere bakwaarde heeft.

Het moderne streekproduct blijft lokaal

En daarmee was een andere definitie van ‘streekproduct’ geboren: een product dat in een bepaald gebied wordt geproduceerd, verkocht èn geconsumeerd. Al vóór de voedselkilometer als maatgevend begrip zijn intrede deed, was hiermee een heel werkbaar concept ontstaan dat in tal van streken van Nederland en trouwens in de hele wereld kon worden toegepast.

De ‘oude’streekproducten kwamen ook steeds meer onder druk te staan toen bleek dat Parmaham bijvoorbeeld gewoon uit Nederland kwam, in Italië een extra behandeling onderging en dan weer terug reisde. Dat mag nu niet meer: erkende streekproducten moeten nu echt uit de streek van aanduiding komen. Maar zoals gezegd, het zijn er maar een paar die deze internationale status weten te bereiken.

In de plattelandsontwikkeling, de ‘rural development’, overheerst nu de tweede definitie van ‘streekproduct’ als heel bruikbaar middel om het speciale karakter van een streekproduct aan te duiden, om de locale economie te steunen en het aantal voedselkilometers terug te dringen. En dat lijkt succesvol te zijn: steeds meer streek en boerderijwinkels worden geopend, steeds meer consumenten lijken te worden aangetrokken door het eerlijke en overzichtelijke product dat daar wordt verkocht. En die ontwikkeling is wereldwijd.

In de VS en Canada heb je zgn. 100 miles shops, een keten van winkels met lokale producten (van niet meer dan 100 miles weg), in Engeland voelt 40% van de burgers zich aangetrokken tot het streekproduct, in Duitsland is de streekwinkel nooit echt weg geweest en kochten burgers altijd al veel ‘bij de boer’. Ook onze winkel ondervindt de toenemende belangstelling voor het lokale product.

Streekproduct is geen marketingformule

En dat succes blijft niet onopgemerkt! Wat als een impuls voor sommige boeren en de locale economie begon dreigt ten prooi te vallen aan handige jongens die er een marketing formule van maken. Gewoon een ‘trade mark’ dat goed ligt, te koop bij Albert Heijn, de C1000, in hele grote supermarkten langs de grote wegen of landelijk verspreid via allerlei afzet- en winkelketens.

Wat begon als een doorbraak van de anonimiteit die ‘de’markt nu eenmaal is wordt binnen de kortste keren ingehaald door diezelfde markt. Het streekproduct dreigt onderworpen te worden aan dezelfde wetten die voor elk product gelden. En daarmee gaat het in hoog tempo de biologische markt achterna.

Korte lijnen tussen producent en consument

Net als eerder het uitgangspunt van het biologische product wordt het streekproduct gekenmerkt door korte lijnen tussen producent en consument: de consument ként in veel gevallen de producent, weet hoe het product gemaakt wordt en kent daardoor de kwaliteiten van het product. Als die kwaliteit echter, zoals in de biologische handel, wordt gereduceerd tot ‘chemievrij’ dan maakt het dus al gauw niet meer uit of het nu uit Kenya, Frankrijk of uit het naburige dorp komt. Als er maar winst op te behalen is met behoud van die ene kwaliteit. Zo werkt nu eenmaal de markt.

‘Streek’ is op zich geen kwaliteit

Zoals ‘chemievrij’ te kort schiet als omvattende kwaliteit voor biologische producten zo is ‘streek’ te beperkt voor streekproducten. Sterker, het kan een bron voor misbruik worden. Nu al zijn er producten die naar gelang de verkoop plaats vindt het etiket Groningen, Gelderland, Veluwe, Brabant of Drente opgeplakt krijgen. Wij werden laatst bezocht door een handelaar die etiketjes aanbood met ons eigen logo voor tal van producten, of ze nu van onszelf waren of uit import verkregen waren. “Dat verkoopt goed joh!” Hof van Twello bier, appelsap, eieren, worst. Oplichting dus, en nu nog niet bij wet verboden. Er wordt momenteel hard gewerkt aan een grote keten van landwinkels langs de snelwegen, die als enige kwaliteit hebben dat er ‘streekproducten’ worden verkocht waar ze ook vandaan komen, zelfs uit Zuid Afrika, als het maar streek is. Een zgn. nieuw product dus, in een nieuw zakje. Markt is markt.

En de boer?

Maar dezelfde producten, gebracht in landelijke afzetketens zullen uiteindelijk ook de druk van de landelijke en internationale markt ondergaan, ze worden prooi voor de gangbare marktmechanismen. Immers er worden meer logistieke kosten aan gekoppeld, je moet meebetalen aan de PR en afzetkosten en soms ook voor mensen die actief zijn voor de verkoop van ‘jouw’ product. Met andere woorden, het streekproduct van boer tot consument komt in dezelfde spiraal terecht als ‘gewone’ producten. En wie maakte daar ook al weer de winst? Het Landbouw Economisch Instituut (LEI) kan dat allemaal prachtig uitrekenen: 7% van de winst op een varken komt bij de boer terecht. De rest van die winst gaat naar de opkoper, de verwerker, de transporteur, de groothandelaar en de winkelier. En wat gaat die boer doen? Móet die boer wel doen? Precies: schaal vergroten. Met zulke kleine marges moet je wel. En zo is de cirkel weer rond en wordt deze tak van verbrede landbouw effectief de das omgedaan. Mét overheidssteun. Want diezelfde overheid die zo hoog opgeeft van streekproducten steunt projecten op het gebied van de ontwikkeling van aanbodconcentratie van streekproducten.

Leren ze het dan nooit?

Laat ik Einstein nog maar eens aanhalen die ooit zei “Je kunt een probleem niet oplossen vanuit het zelfde soort denken dat tot het probleem heeft geleid”. Of anders gezegd: als je schaalvergroting als oorzaak van veel problemen ziet in de landbouw, kun je dat probleem niet oplossen door schaalvergroting te stimuleren.
Waarom gingen boeren zelf weer kaas maken, jam, worst, mosterd, etc? Om te ontsnappen aan de dwang tot schaalvergroting in de primaire productie: niet nóg meer koeien, land, grotere stallen en kassen. En wat moeten ze binnenkort? Nóg grotere verwerkingsafdelingen. Wat in de fruitverwerking al gebeurde zal zich onherroepelijk ook gaan voltrekken in de andere sectoren van zgn. lokale en ambachtelijke productie. Nog even en we hebben weer nieuwe Cobercootjes, Campinaatjes, Suikerunietjes.

Nieuwe ronden, nieuwe kansen

Streekproducten? Niet meer dan een nieuwe ronde van rurale industrialisatie. En wás dat nog maar zo. Het gevaar komt ook al rechtstreeks van de andere kant. Unilever heeft al aangekondigd meer aandacht te gaan besteden aan ‘local brands’. Nog even en Grolsch heet weer streekproduct. Gronings Best, Wilpse kaas, IJsselvallei, etc. worden als trade mark opgekocht door Unilever, en daarna kan de consument er helemaal geen touw meer aan vast knopen!

Zorgen dus, ik zei het al.



Plaats een reactie