Van techno naar eco

Tuinbouw als ecosysteem: de lange weg

Grootste belemmering is mentaal

Dit is een verhaal over verandering en hoe langzaam dat gaat. Maar ook over hoe ingrijpend dat kan zijn. Eenmaal de bocht door verandert alles, alsof je over de laatste bergkam de kustvlakte inrijdt.

Door: Gert Jan Janssen

Virtual reality

Ooit werkte ik in Mexico, in een dorpje in de tropische kustvlakte van Vera Cruz. Als je er naar toe rijdt vanuit Mexico City rij je urenlang door heuvels, bergen en hoogvlakten. Je kunt je in die eentonigheid niet voorstellen dat het landschap ooit nog anders wordt zo gewoon zijn die bergen voor je geworden. Haast werktuigelijk schakel je van 3 naar 2 bij weer een nieuwe bergtop, op de automatische piloot neem je de zoveelste bocht in de weg. Zo zit Mexico nu eenmaal in elkaar.

Totdat je ter hoogte van Tierra Blanca weer niets vermoedend een bergrug oprijdt. Boven op die bergrug gekomen is het alsof je uit een vliegtuig kijkt. Opeens, zonder enige aankondiging, strekt zich een onafzienbare laagvlakte voor je uit. Zo ver het oog reikt zie je alleen maar bomen, slecht hier en daar onderbroken door hoogspanningsmasten, een enkele brug of wat dorpjes. Een totaal andere wereld strekt zich voor je uit. In alle opzichten trouwens: andere grondsoort, andere mensen, andere geschiedenis. Hoe vaak heb ik niet stilletjes van die overgang genoten, en de mentale strekking ervan over me heen laten komen.

Soms doet verandering zich zo aan je voor, een opgelegde en abrupte, duidelijk voel- en waarneembare wijziging in omstandigheden die hoe dan ook opeens zijn invloed doet gelden: op je gemoed, je denken, je hele zijn. Meestal zijn veranderingen echter niet zo abrupt, en kondigen ze zich heel wat subtieler aan dan de kustvlakte van Zuid Oost Mexico. Meestal verandert het landschap zo geleidelijk, zijn de tekens van verandering zo sporadisch uitgezet dat je pas na heel lang doorrijden beseft in een andere wereld gekomen te zijn. Als je het je al ooit beseft. De laatste kilometers rij je als het ware in een virtual reality, een doorgeleefd, vertrouwd en voorspelbaar verleden terwijl de werkelijkheid in feite allang veranderd is: je hebt het alleen niet gezien.

Kwaliteit, ook in uw werk ……

Zo beleefde ik de Nederlandse tuinbouw, als een vertrouwde wereld met vaste waarden en normen, met gerichte doelstellingen en stevige leiders. Ik was trots op ‘mijn’ sector. In Wageningen stond boven het bord in de collegezaal van de afdeling tuinbouw: ‘Kwaliteit ook in uw werk, dat maakt Neerlands tuinbouw sterk’. Dat was ook mijn lijfspreuk. Van tuinder tot ingenieur, van voorlichter tot analist op het laboratorium voor Grond en Gewasonder- zoek, van veilingmedewerker tot standsorganisatie, we waren één grote familie: de Europese voedselschuur. Iedereen was er trots op dat van elke 10 in Duitsland gegeten komkommers er 9 uit Nederland kwamen, en 80% van de tomaten. De tuinbouw was de eerste grootschalig gecomputeriseerde bedrijfstak in Nederland, een keihard werkende sector met een open oog voor de veranderende technologische mogelijkheden.

En zo is het voor veel mensen nog steeds. Vooruitgang voor hen is de incorporatie van wéér nieuwe stukjes techniek, betere en snellere machines, nog betere marketing concepten, nog snellere communicatiekanalen. Zo is het toch altijd gegaan, en het werkte toch? Of is het toch een virtual reality?

Excommunicatie

Ik teel vanaf 1983 exotische groenten en later ook exotische planten, XOTUS. We werden opgericht met geld van o.a. de Gemeente Den Haag en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om werk te scheppen met migrantenjongeren en wij deden dat door hun groenten en kruiden te gaan telen. Chinese paksoi, Surinaamse peper, Turkse paprika, etc. Een bedrijf met ook een sociale doelstelling dus. Deze start plaatste ons in één klap buiten de sector. Hoewel zelf met miljoenen guldens per jaar gesubsidieerd, door LNV en middels de gasprijs door EZ, werden er op instigatie van de standorganisaties tot in de Tweede Kamer toe vragen over ons gesteld: subsidie van Sociale Zaken? Migranten? Is dat geen concurrentievervalsing! De veiling wilde onze producten niet verkopen, tot de tuinbouw studieclubs werden wij niet toegelaten, de Rabobank wilde ons geen lening verstrekken, kassenbouwers en andere bedrijven uit de sector probeerden ons op stompzinnig wijze pootje te lichten en onze buurman tuinders keken met lege ogen langs ons heen.

Alleen het Proefstation wilde wel met ons samenwerken, maar alleen als zij altijd zo maar onze nieuwe gewassen mochten bekijken en beschrijven. Zo werden we natuurlijk niet serieus genomen maar misbruikt. En toen we het opnamen voor illegalen ontviel ons ook onze laatste bondgenoot: de FNV deed er alles aan XOTUS en in het bijzonder mij, als directeur, te elimineren. Uitgekotst werden we door een gekwetste groep mensen. Wij doorbraken immers hun (blanke) werkelijkheid, hun logica, en dat mocht niet, hun virtuele realiteit mocht niet worden aangetast, de tekens van een veranderende tijd mochten niet worden verstaan. Niet door biologische tuinders, niet door migranten, illegaal of niet, niet door ons. Excommunicatie heet dat, met alle verschijnselen van dien.

Mores

Ik was dan wel uit de sector gestoten, de sector was echter nog niet uit mij! Haar denken, haar technologische logica, haar mores. En ook binnen XOTUS was dat denken nog ruim vertegenwoordigd. Hoe dan ook was deze fase van gedwongen afzondering, zoals zo vaak, achteraf echter wel de voorwaarde voor mijn verandering. Maar vanzelf ging dat niet!

Immers, ik was opgegroeid in de tuinbouw. Mijn opa, mijn vader, mijn oom, mijn broer, de buren en ouders van vriendjes, allemaal waren het tuinders. Mijn opa was één van de oprichters van de lokale veiling geweest, mijn vader een trots lid, niet alleen van de coöperatieve veiling, maar ook van de coöperatieve Raiffeissenbank. De voorzitter van het Centraal Bureau van de Tuinbouwveilingen, Maarten Prins, was in mijn jeugd een orakel. Wat hij zei was waar net als de uitspraken van de directeur van het Proefstation. Vertegenwoordigers van de Tuinbouw-voorlichting en het Consulentschap voor de Tuinbouw werden met ontzag ontvangen en benaderd. Zij immers vertolkten de boodschap waarin ook onze vooruitgang besloten lag. Hun logica en mores waren de onze, en de mijne.

Toen we dan ook in 1981 bezig waren XOTUS op te zetten stelde ik maar 1 eis: we zouden de gelegenheid moeten krijgen een modern bedrijf te zijn. Volgens wat toen ‘modern’ heette. Geen half werk omdat ik me dan veroordeeld zag tot een levenlang ploeteren. En de subsidiegevers gingen daar in mee. Twee jaar later hadden we 2,5 ha grotendeels moderne kassen, met steenwol, met assimilatiebelichting, met eb- en vloedvloeren, etc. We voldeden aan alle technologische normen van een bijdetijds bedrijf. Eigenlijk was ons hele streven er op gericht alsnog geaccepteerd en gerespecteerd te worden door de sector.

Ervaringen tekenen

Wat maakte nu dat ik een andere visie opbouwde? Was dat een zuiver intellectueel proces? Een gevoel? Romantiek misschien? Bij mij speelden een aantal factoren een rol.

1. Al gauw na de start van XOTUS, in 1983, bleek dat de toepassing van de moderne tuinbouwtechnologie te duur was voor de veelal onveredelde exotische gewassen die wij teelden. Surinaamse komkommer bijvoorbeeld bracht gewoon te weinig kilo’s per m2 op om f20,- extra per m2 aan moderne technologie te kunnen betalen. Steenwol en hoge stookkosten konden door deze gewassen niet opgebracht worden. Wilden wij deze exotische gewassen toch blijven telen dan moest de technologie dus worden aangepast. Een proces van zoeken naar extensivering en kostprijsverlaging startte. Dit leidde o.a. tot de terugkeer naar grondteelt in 1986 en bijvoorbeeld tot het gebruik van gerecycled fust, in de vorm van oude bananen- en appeldozen.

2. Vrij snel leerden we ook dat de meeste van onze gewassen bij toepassing van dat lagere technologieniveau ook nog rendabel te telen waren bij een lagere temperatuur. We gingen dus als het ware vanzelf minder stoken. Na analyse bleek tevens dat we in de meeste gevallen maar met de helft van de door het Proefstation aanbevolen hoeveelheid meststof toekonden. Hierdoor daalde het nitraatgehalte in onze bladgroenten tot ver onder de wettelijke norm. Door de hardere gewassen die hierdoor ontstonden hoefden we vervolgens minder te spuiten.

3. Veel exotische bladgroenten, vooral koolachtigen, bleken zo goed tegen lage temperaturen te kunnen, dat ze zelfs buiten overleefden. Jarenlang zag ik zo weggegooide planten van amsoi en diverse paksoisoorten buiten de kas de winter doorkomen. Ik zag wel dat die planten buiten de kas overleefden, maar in eerste instantie deed het me niets. Pas 5 jaar na de start van XOTUS, in 1988, viel eindelijk het kwartje: we hadden kennelijk gewassen in huis die, net als boerenkool en prei, voor een vers, gezond en goedkoop product gedurende de winter konden zorgen! Mijn milieuvriendelijke zoektocht naar laagenergetische exoten was begonnen.

4. Door mijn omgang met migranten zag ik vanaf de eerste rij de rijkdom van hun voedsel-pakket en kookgewoonten. Al in 1987 hadden we daar een kookboek over gepubliceerd: Exotische Groenten. Het werd een klassieker, en tot de dag van vandaag zijn er al meer dan 70.000 exemplaren van verkocht, een tweede editie is in voorbereiding. Met name autochtone Nederlanders bleken het boek te kopen. Het was een kleine aanwijzing dat de markt zeer willig is tot verandering.

In feite waren het bij mij dus vooral ervaringen die me gevoelig maakten voor de ecologische en sociale eisen van een veranderende markt en cultuur.

Afkicken

Het hele proces, weg van de high tech tuinbouw is nog het beste te omschrijven als een vorm van afkicken. Ik moest al mijn gevoel voor status, mijn wens om door dat deel van de sector serieus genomen te worden, mijn tijdens de opleiding en jeugd gevormde denkbeelden over wat vooruitgang en ‘kwaliteit’ is over boord zetten. Mijn gevoel voor eigenwaarde en zelfvertrouwen moest zich aanpassen aan de door mij al veel langer waargenomen ’reality’. Ik wist het wel, maar leef er maar eens naar! Blijf maar eens trots als je eigenlijk diep in je hart een brandschone tuinderij wilt hebben met glanzende machines, mooie verpakkingen en snelle auto’s zoals in de rest van de top van de Nederlandse tuinbouw. Hoe blijf je positief als er in je zoeken toch elke keer veel fout gaat, collega’s wegvallen omdat die je zoekende lijn in de bedrijfsvoering niet zien zitten en soms zelfs anti-campagnes ontketenen. Er was niets, geen enkele beweging of organisatie waar ik me op kon beroepen.

Ik hoorde immers nergens bij: ik kon me in mijn zoeken niet koesteren in de luwte van de acceptatie van de mainstreamsector, niet van de tuinders, niet van de onderzoek-instellingen, niet van vrienden of familieleden. Evenmin was ik onderdeel van de biologische beweging omdat die onze gewassen niet zag zitten en meestal ook niet zo veel ophad met migranten. Bovendien teelde ik niet biologisch volgens hun normen. Een poging om vanuit de etnische gemeenschap een basis te geven aan onze benadering mislukte. Ook wat betreft bedrijfsontwikkeling en visie op de tuinbouw maakte ik dus gedwongen een hele eigen ontwikkeling door. Pas toen ik na een proces van jaren eindelijk voldoende eigenwaarde had opgebouwd in mijn eigen praktijk van denken ontstond er echt ruimte voor het ontwikkelen van het alternatief. Tot dan toe leefde ik toch grotendeels, bij flarden, verscheurd en met haperen op de automatische piloot, in de ‘virtual reality’ van mijn eigen voorbije waarden en normen.

Mijn excommunicatie heeft in dit opzicht als een voordeel gewerkt omdat ik nu aan minder mensen verantwoording hoefde af te leggen en minder mensen mij rechtstreeks konden beïnvloeden met hun logica van de gevestigde systemen.

Keuzes

Langzaam reed ik zo de laatste heuvel op. Hoewel nog niet zichtbaar doemde langzaam een totaal ander landschap op, alleen te herkennen aan de onrust die me vergezelde.

Als er kennelijk veel meer gewassen zijn die tegen onze lage temperaturen kunnen waarom telen we dan nog tomaten, komkommers, aubergine, paprika en dat soort subtropische gewassen? Een vraag die nog prangender werd in het begin van de negentiger jaren toen de glastuinbouw een enorme crisis doormaakte. Door de toetreding van Spanje tot de EG, in 1992, overstroomden hun goedkoop geteelde en lekkere tomaten en paprika’s de Noord West Europese markten. De Nederlandse glastuinbouw stond met de rug tegen de muur. Wat te doen? Zouden we handelen in de geest van Jan Tinbergen, de Nederlandse Nobelprijswinnaar die een internationale productie- en arbeidsverdeling voorstond? En dat wil zo veel zeggen dat je iets daar moet produceren waar dat het goedkoopste kan. Of zouden we onze huidige onnatuurlijke productiesystemen en uitsluitend op basis van logistieke macht opgebouwde markten tot het uiterste verdedigen?

De tuinbouwsector koos massaal voor het laatste en wist zelfs organisaties als Natuur en Milieu in dat streven mee te krijgen. Een proces van ongekend technologisch gepeuter zette in, gesteund door honderden miljoenen overheidsgeld in de vorm van ‘innovatie’ en herstructureringssubsidies: nog beter isolerende kassen, nog hogere rendementsketels, nog betere sorteermachines, andere substraten, het koppelen van tuinbouwbedrijven aan industriële bedrijven zodat de eerste de restwarmte van de laatste zou kunnen gebruiken, en recentelijk het ontwikkelen van tomaten- en paprikarassen die bij iets lagere temperaturen geteeld kunnen worden. Hiernaast ontstonden allerlei nieuwe vormen van samenwerking en ketenontwikkeling met als doel de kostprijs van onze hoofdgewassen te verlagen.

Al deze ontwikkelingen hebben één ding gemeen. Ze vergroten de kwetsbaarheid van de teeltsystemen t.o.v. het natuurlijk milieu en daarmee die van de gezinnen die er achter staan. Wat gebeurt er bijvoorbeeld als een industrie sluit? Weg restwarmte, weg voordeel.

Deze weg is niet de mijne.

Climaxgewassen

Ik had immers al een glimp van een andere vorm van tuinbouw opgevangen? Gedwongen door de omstandigheden op ons bedrijf had ik al vroeg in de 80-er jaren de samenhang tussen gewas en technologieniveau moeten leren. Ik had geleerd dat duurzaam rendement met onze gewassen alleen te behalen was op een laag technologieniveau. En omgekeerd, dat bij dat lage niveau van technologie heel goed rendement te behalen is door de keuze van de juiste gewassen en de juiste teeltsystemen!

Ik noemde dat soort gewassen climaxgewassen, en dat soort teelten climaxteelten, omdat ze optimaal produceren onder onze natuurlijke omstandigheden. Het begrip is ontleend aan de vegetatiekunde waar men spreekt van climaxvegetaties, en dat is de vegetatie die uiteindelijk in een gebied overblijft wanneer deze aan zichzelf wordt overgelaten. Het begrip climaxgewas sluit aan op Jan Tinbergens ideeën die in die zin heel ecologisch zijn: iets daar telen waar dat het goedkoopste kan met de minste belasting van milieu en samenleving.

Het vergezicht

Toen eenmaal het begrip climaxgewas, ondanks dat ik het zelf ontwikkeld had, voldoende in me was ingedaald, bleek ik op de top van de laatste bergrug aangekomen te zijn. Voor me strekte zich een ongekend nieuw landschap uit van nieuwe vormen van tuinbouw, teeltsystemen, gewassen, bedrijfsstijlen en afzetsystemen. Wat is er veel te doen!

Stel je voor een tuinbouw die bestaat uit velden met gemengde en gelaagde teelten van bomen, struiken, vruchtgroenten, knolgewassen, bladgroenten en kruiden. Geschoffeld wordt er nooit, gespoten evenmin. Gesnoeid wordt er met mate en alleen dan als de balans in concurrentiekracht tussen planten te veel verstoord dreigt te worden. Wel worden alle gewassen mechanisch geoogst door robots die, bijvoorbeeld op basis van DNA-patronen van planten en producten, precies nagaan welke planten producten aan de beurt zijn om te worden afgeoogst of uitgewied. Alle geoogste producten worden automatisch per soort uitgesorteerd en al af niet kleingesneden en gewassen en verpakt. Tijdens de gang door het veld waarbij geoogst wordt worden de lege ontstane plekken direct weer ingeplant, gezaaid en/of bemest. De cyclus is daarmee rond.

Wat in deze futuristisch lijkende teeltwijze gebeurt is in feite een synthese van oorspronkelijke duurzame Derde Wereld erfcultuur praktijken met ‘onze’ technologische verworvenheden.

De ultieme vorm van landbouw, ook de kastuinbouw, is een vorm van verzamelcultuur waarmee alle gebruik van plantaardige producten ook begonnen is. Toen in een natuurlijk ecosysteem, nu in een duurzaam door mensen ingericht en gestuurd ecosysteem. Ik noem dat een cultureel ecosysteem, omdat de mens er in ingrijpt en het stuurt.

Teler als verzamelaar

De ultieme teler is dus weer een verzamelaar geworden! Alleen teeltsystemen die ingericht zijn als ecosystemen en daarin zo veel mogelijk aansluiten op de aanwezige natuurlijke ecosystemen en als zodanig beheerd worden, dragen de potentie in zich van werkelijk duurzaamheid. Ooit een op grote schaal ziek oerwoud gezien? Of een zieke prairie? Daartegenover staat dat erfculturen en kostgrondjes in de Derde Wereld, die nog het meeste lijken op wat ik bedoel met traditionele culturele ecosystemen, vaak verrassend stabiele en hoogproductieve teeltsystemen zijn. Mede dankzij de fabelachtige kennis van de telers die precies weten op welke plaats welk soort gewas het beste gedijt. Zij kennen de microklimaten en verschillen in bodemgesteldheid in hun tuin uit hun hoofd en sturen hun teeltsysteem zodanig dat elke plant onder optimale omstandigheden groeit. Dat is een vorm van high tech die wij in het westen allang kwijt zijn in onze op monocultuur gerichte land- en tuinbouw.

Kies je voor bovenstaande teeltsystemen als doel van onderzoek dan is er veel te doen. Welke gewassen passen het beste in deze systemen? Waar moet je de veredeling ervan op richten? Hoe mechnaniseer je die systemen? In welk stadium oogst je welk deel van een plant? Wat is de beste verpakking? Moet je niet aan nieuwe soorten receptuur werken?

Elke klimatologische regio zal aan de bodem en andere fysieke omstandigheden aangepaste systemen gaan ontwikkelen. En in de geest van Jan Tinbergen is het natuurlijk wel een beetje vreemd om zodanig ecologisch geteelde producten vervolgens in zwaar verspillende vliegtuigen de hele wereld over te sturen. Er zullen dus nieuwe vormen van integratie tussen stad- en platteland moeten ontstaan met korte lijnen tussen producent en consument.

Een ecosysteem gaat verder dan de groeiplaats van een plant! Ook wij, als stad, dorp en familie maken er onderdeel van uit.

Dit artikel is verschenen als bijdrage aan de Wageningse Kennisdagen 2000. Workshop op 14 april. Onderzoek en Innovatie: een wereld van verschil?



Plaats een reactie