Waarom doen we dit?

Waarom doen we op de Hof van Twello wat we doen. Dat is de hamvraag.

Laten we bij het begin beginnen.

In 2004 kregen wij in pacht het beheer over een vervallen boerderij en huis. Lekkende schuren, een vervallen hok wat ooit een paardenstal bleek te zijn geweest, klepperende planken aan de veldschuur, een totaal verwoest erf met overal rotzooi, stront en een stervende koe ergens in de veldschuur. En kaal land: één groot, hier en daar drassig weiland. Het huis was totaal uitgeleefd, verveloos, tochtig en uiterst brandgevaarlijk.

En we zijn  begonnen. Ijssellandschap hielp met een paar jaar pachtreductie en de basis  herbouw van de paardenstal in ruil voor een hogere pacht.  Verder hebben we alles zelf gedaan. Ik had het geluk geld uit een vorige betrekking te hebben overgehouden en dat werd aangewend voor een helse verbeter en bouwklus. De gebouwen werden opgeknapt, er werd een pomp geslagen en een netwerk over het hele land gelegd voor beregening, de elektriciteit werd volledig vernieuwd en de capaciteit uitgebreid, gas werd doorgetrokken naar de schuren, het erf opgeruimd en schoongemaakt. In het huis werd een fatsoenlijke douchecel, toilet  en keuken gebouwd, de gevaarlijke elektriciteit totaal vernieuwd, de vloeren opnieuw gelegd, de  bordkartonnen wanden en dak geïsoleerd en alles geverfd. Daarna volgde de inrichting van de gebouwen: toiletten, bedrijfsdouche, keuken, winkel, koel- en vriescellen, een kantine, kantoortje. Allemaal nagelvaste verbouwingen die door onszelf betaald werden. Los van de inventaris als tractoren, machines, gereedschappen, winkel- en keukeninventaris etc. Inmiddels hebben wij enkele tonnen  in het bedrijf geïnvesteerd.  Pas in 2010 werd voor de eerste keer een banklening afgesloten van € 30.000,- welke inmiddels volledig is afgelost.

Crowd funders hielpen de afgelopen jaren en brachten met elkaar bijna 3 ton op voor investeringen die nog steeds voor een deel simpelweg onderhoud van het onroerend goed behelzen.

Waarom doen we dit? Waarom 6 dagen werken per week, stress, geldzorgen, fysieke belasting? Waarom?!

Wat drijft ons? Wat maakt dat we nu al 14 jaar aan het investeren zijn in dit bedrijf? In het onroerend goed van een ander?

Gert Jan vertelt zijn verhaal.

Ik ben geboren op een eertijds groot tuinbouwbedrijf hier nog geen kilometer vandaan. In de loop der jaren was het echter een klein bedrijf geworden. Andere tuinders investeerden vol op en groeiden door,  maar mijn vader had  een hekel aan geleend geld. Nadat mijn broer het bedrijf nog had overgenomen is het bedrijf in 1982 gesaneerd en de grond en het huis verkocht. Dit hele jarenlange proces van aftakeling  heeft een onuitwisbare indruk op mij gemaakt.

Een andere lijn is mijn opleiding. Als jong kind al wilde ik ontwikkelingshulp gaan doen en ik wist die droom vast te houden. Ik studeerde tropische plantenteelt (en tuinbouw als 2e studie) in Wageningen. Ik deed  mijn stage bij de FAO, de voedsel en landbouw organisatie van de Verenigde Naties. Mijn doctoraal onderzoek deed ik aan het Cimmyt in Mexico, toentertijd het grootste en beroemdste landbouwkundig onderzoekstation ter wereld. Hier was de Groene Revolutie ontwikkeld die de landbouw wereldwijd zou veranderen. De directeur ervan Norman Barlough kreeg er zelfs de Nobelprijs voor de vrede voor. Ik was de eerste student uit Wageningen die er studeerde (door er simpelweg naar toe te gaan en te vragen of ik er onderzoek kon doen). Kortom: een schitterende carrière lag klaar! En hoewel er tot 5 jaar na mijn afstuderen nog verzoeken kwamen of ik toch alsjeblieft wilde solliciteren op internationale projecten deed ik het niet.

Ik had te veel gezien

Ik had te veel gezien. In 1976 en 1977  woonde ik tussen boeren in Mexico en zag hoe ze gedwongen werden op te gaan in grote, zgn. collectieve boerderijen maar daarbij natuurlijk hun grond en onafhankelijkheid verloren. Tijdens mijn verblijf in Mexico woonde ik ook een tijdje in een krottenwijk, en daar ontmoette ik die van huis en haard verdreven boerengezinnen. En overal ter wereld zag ik dat proces zich herhalen. In Mexico, Kameroen, Peru, Suriname, Indonesië en China. Om een paar landen die ik bezocht heb te noemen. De kleine boer die ten onder gaat in een kapitaalintensieve technische schaalvergroting die, naar mijn overtuiging, niet eenduidig noodzakelijk is om de wereldvoedselproductie te verhogen of de stabiliteit van het platteland te versterken.

Ik had mijn doctoraal onderzoek gedaan aan een modern Cimmyt mais ras en die vergeleken met oude boeren landrassen en zag dat die landrassen die zware en dure technological packages van kunstmesten, herbiciden en pesticiden helemaal niet nodig hadden: ze groeiden sneller dan het onkruid en waren veel plaag- en ziektebestendiger. Ik besloot niet mee te gaan werken aan deze processen: het verdrijven van kleine boerengezinnen van hun land en het verzwakken van ecosystemen door zogenaamde moderne landbouwmethodes. Toen ik vele jaren later in 2008 als docent van Hogeschool Larenstein in Rwanda was zag ik die keuze nog eens bevestigd. In het straatarme Rwanda was die zogenaamde moderne landbouw nog niet doorgedrongen wat boeren in staat stelde om vrijwel op de evenaar, in hartje tropen, de mooiste groenten te verbouwen, zonder enige chemie.  Dát is high tech.  In 1999 had ik in Peru, op de hoogvlakte van Cusco ook al gezien hoe een eeuwenoud duurzaam en gezond teeltsysteem door een paar jaar moderne ontwikkelingshulp met behulp van pesticiden, kunstmesten en herbiciden volledig instabiel was geraakt waardoor er steeds meer gespoten moest worden, het aantal landrassen was gedecimeerd en de biodiversiteit vernietigd. De hoogleraar die me rondleidde stond er van pure boosheid bijna bij te huilen. En ik ook. De keuze uit mijn jeugd werd keer op keer bevestigd.

Sociaal, ecologisch en commercieel?

Het is om die redenen dat ik me in Nederland altijd met die vraag heb bezig gehouden; hoe kun je op een sociale manier, ecologisch verantwoord een bedrijf voeren. Er waren tijden dat ik die vraagstelling meer technisch uitwerkte, soms meer sociaal en soms meer economisch.

Ik was één van de eersten in Nederland die zich actief verdiepte in multiculturele facetten van de landbouw, zowel technisch door allerlei etnische gewassen te telen zoals Surinaamse, Chinese, Indische en Japanse groenten en kruiden als sociaal door deze gewassen een plek te geven binnen de markt en leden van die etnische gemeenschap in het bedrijf.  O.a. door mijn aanpak werden de kosten van levensonderhoud voor heel veel etnische gezinnen een stuk lager nu hun groenten tegen betaalbare prijzen waren te verkrijgen. Het leverde me in 1987 de door de FNV ingestelde Doen Pieterszoon prijs voor sociale vernieuwing op en later, in 2000,  de externe emancipatieprijs van het toenmalige ministerie van Landbouw. Het bracht me in tal van adviesclubs en denktanks van dat Ministerie.

Waar ik ook in voorop liep was in het benaderen van een teeltsysteem als een ecosysteem. Het simpelweg afschaffen van chemie zoals in de biologische landbouw nog steeds veel gebeurt is mij een veel te benepen benadering. Er verandert wezenlijk weinig in het systeem als je alleen de chemische middelen door biologische middelen vervangt. Al in de 80-er jaren experimenteerde ik met wat toen in de VS  edible landscaping genoemd werd en in Engeland forest gardening.  Door mij culturele ecosystemen genoemd: ecosystemen waarin de mens gericht optreedt omdat je immers wat wilt oogsten.  Het zoeken naar dat soort vormen van landbouw wordt nu meestal gevat in de term permacultuur of, nog recentelijker, voedselbossen. Als geen ander ken ik de beperkingen van deze zoektocht en beperk me in mijn huidige benadering dan ook tot niet meer dan een aantal bewezen succesvolle ingrepen met name op het gebied van bodembeheer zoals bijvoorbeeld beddencultuur, oppervlakte en najaars compostering. En soms chemisch ingrijpen, zoals in het natte jaar 2016  bij de aardappels, doet voor mij niets af aan het concept.

Kleinschalig en lokaal gericht

Wat ik leerde inzien is dat ecologie en commercieel sociaal ondernemerschap het beste gediend zijn in een lokale, kleinschalige benadering. Toen ik dat inzicht aan het eind van de vorige eeuw steeds vaker uitte was het gauw gedaan met mijn bewierookte positie op het ministerie van Landbouw. Daar hadden ze niets met kleinschaligheid. Zij gaan juist voor grootschaligheid, exportgerichtheid en een verder doorgevoerde technologisering. Ondanks hier en daar wat subsidies voor leuke dingen, of een prijs.  Waar Rudi Rabbinge en Louise Fresco me eerder nog geregeld meenamen in hun exercities middels werkgroepen en congressen,  kon ik na mijn ‘coming out’ als de man voor kleinschaligheid mijn, weliswaar toch al virtuele stropdassen weer in de kast hangen. Publiceren erover deed ik wel, o.a. in Spil, het kritische landbouw tijdschrift en eerder al in vakbladen als de Tuinderij en Vice Versa, het tijdschrift van Stichting Nederlandse Vrijwilligers.

In Hof van Twello komen als nooit tevoren in mijn leven alle 3 lijnen samen: de sociale, de ecologische en de commerciële. We proberen een alternatief te formuleren op het groeimodel van ons systeem, het model waarin alles groter wordt en overleven betekent dat je zelf ook moet groeien. Het model leidde tot een verschraling van ons landschap en een ongekende uitstoot van arbeid en gezinnen uit de landbouw. Net na de tweede wereldoorlog kenden Nederland 500.000 boeren en tuinders. Daar zijn er nu amper nog 60.000 van over. Boerenbelang werd steeds meer het belang van een kleine elitaire minderheid. Hoe toch te overleven zonder die groei? De vraag die mijn vader niet opgelost kreeg, en nu ook mijn vraag was geworden.

Grond, kapitaal en arbeid

Om antwoord op die vraag te krijgen ging ik kijken naar de 3 peilers waar elke economie op gebaseerd is: grond, kapitaal en arbeid. Wil je wezenlijk iets veranderen dan zul je moeten ingrijpen in die productiefactoren, méér doen dus dan iets een andere kleurtje geven, een ander ras ontwikkelen of betere marketingtechnieken vorm geven. In deze optiek zijn een sterke ecologie en gezond voedsel begeleidende kenmerken maar niet de basis van de verandering zelf.

Net als voor elk klein bedrijf zijn mijn arbeidskosten te hoog. Dat wil zeggen dat wil ik kunnen overleven ik al gauw een onevenredig groot beroep zou moeten doen op vrijwilligers, zoals nog steeds gebruikelijk op veel biologische bedrijven. Ik wilde niet dat soort, in mijn ogen niet duurzame afhankelijkheid.

De meente tuinen van Hof van Twello

Ik vond een alternatief in het doen herleven van de oude meente waar mensen in ruil voor het onderhoud van het land, de sloten en de landschapselementen vrijelijk gebruik konden maken van de producten van dat land. Land dat in veel gevallen eigendom was van grootgrondbezitters, de kerk of de overheid. Meentes hebben in west Europa bestaan van de 13e  tot diep in de 19e eeuw. Het bleek een bijzonder sterk beheersysteem, een win-win. De grondeigenaar had zijn boeltje onderhouden, de bewoners, vaak georganiseerd in een markevereniging bleven gevrijwaard van armoede.  Dat model moderniseerde ik in de meente tuinen van Hof van Twello waar consumenten in ruil voor gratis gebruik van grond, mest en compost nu een groot deel van de groenteproductie op de Hof voor hun rekening nemen. En 50% krijgen van de opbrengst van hun producten in onze winkel. Het systeem leverde mij in de teelt een besparing op arbeidskosten op van meer dan € 20.000,- terwijl onze ecologische geteelde groenten voor de consument bovendien veel goedkoper zijn dan in het gangbare biologische circuit.

Behalve in de teelten ontwikkelde ik ook landschapsmeentes waar mensen in ruil voor het gebruik van ons landschap, het onderhouden, meestal in de vorm van thematuinen. Welke weer een belangrijke attractie vormen als onderdeel van ons recreatieve en educatieve Blote Voetenpad. Het model vindt langzamerhand navolging. Ik organiseer er workshops over met geïnteresseerden uit Nederland en België en verzorg lezingen eveneens in beide genoemde landen.

Met de meentes werden 2 van de 3 productiefactoren geraakt: grond en arbeid. Ik verschafte zo’n 30 gezinnen weer toegang tot grond en maakte hun arbeid productief zonder uitbuiting. (wat objectief gezien bij een klassieke vrijwilliger toch het geval is).  En de 4 fte werknemers op de Hof kan een eerlijk, marktconform loon betaald worden.

De 3e factor, kapitaal wist ik te treffen door vanaf 2012 onze klanten en andere geïnteresseerden te betrekken bij de financiering van onze investeringen. Dus niet grote banken zijn onze financier maar voor een heel groot deel onze eigen klanten. Door op deze manier te besparen op arbeidskosten en de toegang tot financiering en kapitaal te vergemakkelijken lukte het ons Hof van Twello in de benen te houden,  ondanks een groot verlies in 2010 en een zeer moeizaam herstel van het rendement. Zelfs waren we in staat verder te investeren en progressief te ontwikkelen. De meentevorming en de Crowd Funding verlaagden kortom onze kosten en vergrootten de buffers van ons kleine bedrijf.

Missie geslaagd?

Kun je nu zeggen dat onze missie dus geslaagd is?  Het antwoord is nee, zo simpel is het niet om een diep ingesleten dynamiek in economisch functioneren te veranderen. We zijn er nog niet.

Wat we wel hebben laten zien is dat je met creativiteit en doorzettingsvermogen ruimtes kunt creëren binnen de leidende economie waarin een klein bedrijf kan floreren, zelfs met klassieke activiteiten als de teelt van groenten. Juist deze teelt activiteiten zijn elders immers prooi van de schaalvergroting. Wat we ook hebben laten zien is dat zo’n klein bedrijf mede gedragen kan worden door haar eigen klanten waardoor het niet alleen een sterke sociale functie vervult maar tevens haar levensvatbaarheid vergroot. Momenteel zijn er 150 personen/gezinnen op één of andere manier met de Hof van Twello verbonden.

Een afgeleide van onze benadering is een prachtig biodivers landschap waarin de kiemen voor een duurzame ecologische teelt elk jaar meer tot ontwikkeling komen. Dat wij dat tevens uitwerken in ons Goed Voedsel beleid is een extraatje. Goed Voedsel is in onze benadering zo ecologisch mogelijk, geteeld en geproduceerd in een kleinschalige omgeving bestemd voor de lokale markt, door mensen die er plezier in hebben. En dat plezier hebben we hier nog steeds.

Gert Jan Jansen, nazomer 2016



Plaats een reactie